De belangrijkste wetgeving inzake auteursrecht is de wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten. Deze wet werd in mei 2005 in belangrijke mate gewijzigd door de omzetting van de Europese Richtlijn Informatiemaatschappij in België. De Richtlijn heeft tot doel het auteursrecht te harmoniseren en aan te passen aan de uitdagingen van de informatiemaatschappij.
Algemene principes
Het auteursrecht beschermt de auteurs of - in geval van overdracht of licentie - de uitgevers van auteursrechtelijk beschermde werken, i.e. boeken, kranten, foto’s, websites e.a. Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, moet het werk origineel zijn en in een bepaalde vorm worden gegoten. Auteursrecht kan immers nooit slaan op abstracte ideeën. Het houdt zich uitsluitend bezig met de aan één of meer ideeën gegeven vorm. Het auteursrecht blijft gelden tot 70 jaar na het overlijden van de auteur.
Exclusief recht
Aan de auteur of - in geval van overdracht of licentie - de uitgever van auteursrechtelijk beschermde werken worden exclusieve rechten toegekend. De exclusieve rechten worden onderverdeeld in vermogensrechten en morele rechten.
(1) Vermogensrechten zijn economische rechten die de auteur of - in geval van overdracht of licentie - de uitgever het recht geven het werk te exploiteren. Zo zal niemand zonder toestemming van de auteur - of in geval van overdracht of licentie de uitgever - het werk mogen exploiteren. Vermogensrechten zijn geheel of gedeeltelijk overdraagbaar. In de Vlaamse dagbladsector wordt zo een groot deel van de vermogensrechten contractueel overgedragen aan de uitgever. De vermogensrechten worden op hun beurt in twee categorieën gegroepeerd. Enerzijds is er het reproductierecht - i.e. het materieel verveelvoudigen van het oorspronkelijke werk - en anderzijds is er het openbaar mededelingsrecht - i.e. het werk in een niet tastbare vorm voor het publiek waarneembaar maken.
(2) Morele rechten zijn nauw verbonden met de persoon van de auteur. Zo heeft de auteur o.a. het recht te beslissen of het werk bekend mag worden gemaakt (divulgatierecht), het recht om het vaderschap van het werk op te eisen of te weigeren (recht van vaderschap) en het recht om zich te verzetten tegen elke wijziging van het werk (recht op integriteit). Morele rechten zijn principieel niet-overdraagbaar, maar kunnen wel worden afgestaan.
Uitzonderingen op het exclusief recht
Ondanks het beginsel van exclusiviteit kunnen bepaalde handelingen in de praktijk toch gesteld worden zonder dat daarvoor steeds de toestemming van de auteur of - in geval van overdracht of licentie - de uitgever moet worden gevraagd. Onder andere als gevolg van de technologische ontwikkelingen - die het onmogelijk maken de exploitatie van een werk in alle omstandigheden te controleren - werden er een aantal wettelijke uitzonderingen op het exclusieve recht in het leven geroepen.
Bepaalde van deze wettelijke uitzonderingen - de zogenaamde ‘wettelijke licenties’ - worden gecompenseerd door een recht op vergoeding. Deze vergoeding is verschuldigd aan de door de auteurswet aangeduide representatieve beheersvennootschap Reprobel en wordt door de diverse beheersvennootschapen (bv. door Reprocopy voor de Vlaamse dagbladuitgevers) vervolgens uitgekeerd aan de rechthebbenden. Voorbeelden van wettelijke licenties zijn de reproductie op papier (reprografie), de reproductie op een andere drager dan papier (thuiskopie), de digitale onderwijsuitzondering en het leenrecht.
Andere uitzonderingen zijn de specifieke uitzonderingen voor bibliotheken, musea en archieven, de parodie en het citaatrecht. Het citaatrecht houdt in dat er zonder toestemming kan worden geciteerd uit een krantenartikel ten behoeve van kritiek, polemiek, recensie, onderwijs of in het kader van wetenschappelijke werkzaamheden op voorwaarde dat het citaat ingekaderd wordt in een eigen uiteenzetting, gebeurt volgens de eerlijke beroepspraktijken en dat de bron en de naam van de auteur worden vermeld.
Belangrijk om weten is dat - aangezien de auteursrechtelijke bescherming de basisregel blijft - uitzonderingen restrictief moeten worden geïnterpreteerd. De uitzonderingen mogen bovendien ook geen afbreuk doen aan de normale exploitatie van het werk.